Logo Monumentenwacht Overijssel Flevoland

Ventilatie vroeger en nu

Ventilatie is de noodzakelijke uitwisseling van lucht tussen het interieur en het exterieur van een gebouw. Door te ventileren wordt verse, zuurstofrijke lucht aangevoerd en vochtige, minder zuurstofrijke lucht afgevoerd. In het Nederlandse klimaat heeft de aangevoerde buitenlucht meestal een lagere temperatuur dan de lucht in huis. Daardoor kan ventilatie ook verkoeling brengen. 

 

In historische huizen is doorgaans sprake van passieve ventilatie: lucht stroomt ongecontroleerd door kieren, spleten en openingen in gevels, vloeren en kap. Ook de schoorsteen dient als ventilatiekanaal. 

 

In de negentiende eeuw werd men zich meer bewust van het belang van ventilatie en werden de eerste actieve ventilatiesystemen ontwikkeld. De daarvoor aangebrachte kanalen werden beëindigd met gietijzeren rozetten. Vanaf de jaren dertig wordt in de architectuur steeds meer uitgegaan van actieve ventilatie. 

 

Passieve ventilatie is meestal moeilijk te reguleren. Daarnaast zijn, zeker in de winter, koude luchtstromen in huis ongewenst. Daarom is kierdichting een goede optie: ramen, deuren en luiken goed sluitend maken. Maar natuurlijk moeten niet alle ventilatie-openingen worden afgesloten. Aanvoer van verse lucht en afvoer van vocht (door koken, douchen) blijven noodzakelijk om mens en gebouw gezond te houden.

Verwarming vroeger en nu

Huizen werden vroeger op een heel andere manier verwarmd dan tegenwoordig. Het grootste verschil betreft de wijze van warmteoverdracht. 

 

Bij open haarden en traditionele kachels verloopt deze hoofdzakelijk via stralingswarmte. Mensen en objecten in de directe omgeving van de bron worden aan één zijde rechtstreeks verwarmd. De luchttemperatuur in het vertrek stijgt relatief langzaam en weinig. Kachels en vooral open haarden, die maar onder een beperkte hoek warmte uitstralen, zijn wat dat betreft niet zulke efficiënte verwarmers. 

 

Vanaf het einde van de negentiende eeuw worden woningen voorzien van centrale verwarming (cv). Sinds de jaren zestig gebeurt dit op grote schaal. Bij dit type verwarming berust de warmteoverdracht op convectie: de warmtebronnen -de radiatoren- dragen hun warmte over aan de omringende lucht. Deze stijgt op, er ontstaat circulatie en de kamertemperatuur stijgt. Door de komst van de cv is de gemiddelde temperatuur in huis flink toegenomen. Hierdoor gaat er ook meer warmte door de gebouwschil verloren.

 

Voortschrijdend inzicht en de energiecrisis van de jaren zeventig hebben ertoe geleid dat woningen steeds ingrijpender worden geïsoleerd. Waardoor op zijn beurt de gemiddelde temperatuur weer is gestegen.

 

 

Bij een haardvuur verdwijnt veel warmte in de schoorsteen, de benodigde zuurstof kan een koude trek veroorzaken.

Een kachel heeft een hogere warmteopbrengst dan een haardvuur, maar ook een kachel trekt (koude) lucht aan voor de verbranding.