Logo Monumentenwacht Overijssel Flevoland

Dragende constructies

Balken waren tot en met de zeventiende eeuw bijna uitsluitend van eikenhout. In de loop van de zeventiende eeuw werd steeds meer grenenhout toegepast. Pas in de negentiende en twintigste eeuw is men volop vurenhout gaan gebruiken.Lees meer

Vloeren

De eerste vloeren bestonden uit aangestampt leem, ook in belangrijke gebouwen als kerken. Op de zandgronden werden in het woongedeelte van huizen vloeren van keitjes aangebracht, al dan niet in patronen. In het westen van het land kwam met de verstening van de woonhuizen de vloer van gebakken plavuizen in zwang; eerst rode en later ook de wat harder gebakken blauwgrijze (gesmoorde). Voor kerken en andere gebouwen bakte men kleinere, geel en groen geglazuurde tegeltjes, die in fraaie patronen werden gelegd. Oude woonhuizen en boerderijen kregen soms pas in het begin van de twintigste eeuw houten vloeren op balkjes, die zonder kruipruimte of ventilatie over de oude grondvloer werden gelegd.

 

Marmer en hardsteen kwamen in de zeventiende eeuw in gebruik in de gangen en voornaamste vertrekken van de rijkere woonhuizen. Marmer werd ook gebruikt als bekleding van de wanden; aanvankelijk tot zo’n anderhalve meter hoog en later tot ruim twee meter boven de vloer.

 

Houten vloeren hadden vroeger forse planken, tot een breedte van wel vijfendertig centimeter. Pas in de late negentiende eeuw ging men smallere planken gebruiken. Tot in de achttiende eeuw waren de planken over het algemeen van eiken, later werd dit grenen en vuren. Bij oudere planken gaat het meestal om langzaam gegroeid hout. Dit is heel fijndradig en daardoor kwalitatief veel beter dan nieuw hout. Handhaaf daarom bij herstel zo veel mogelijk het bestaande hout.

 

Oude keitjesvloer in boerderij