Logo Monumentenwacht Overijssel Flevoland

Interview met Yde Schakel

In 2013 bestond Monumentenwacht 40 jaar. Dat is aanleiding geweest om medeoprichter en voormalig restauratieaannemer Yde Schakel op te zoeken in zijn woonplaats Allingawier, het kleine museumdorp tussen Sneek en Makkum dat hij zelf vanaf de jaren zeventig opbouwde. Schakel is inmiddels 85 jaar. Het idee was om terug te blikken op de beginjaren van Monumentenwacht, maar het liep anders. Schakel nam zijn, en eigenlijk het hele leven door. Op geheel eigen wijze.

 

"Die eerste investering was een groot offer, maar het was de moeite waard"

 

Ze worden sinds jaar en dag in één adem genoemd als de founding fathers van Monumentenwacht. Restauratiearchitect Walter Kramer en restauratieaannemer Yde Schakel. Ze troffen elkaar begin jaren zeventig regelmatig tijdens besprekingen in Friese bouwketen. Kramer als jonge rayonarchitect voor de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Schakel als jonge aannemer te Exmorra voor wie geen plan te dol was. Ineens was er het idee om ‘een soort van monumentenwacht’ op te richten (verderop meer over de details). Beiden versterkten elkaar in hun enthousiasme en binnen enkele maanden was de organisatie een feit. Maar hoezeer de twee mannen het op dit punt ook eens waren, hun karakters en levenswandel verschilden als dag en nacht.

 

Walter Kramer zou zich ontwikkelen tot gerenommeerd restauratiearchitect en schrijver. Hij werd een autoriteit op het gebied van de monumentenzorg. Niet alleen vanwege zijn betrokkenheid bij talrijke belangrijke restauraties, maar ook door de vele initiatieven die hij heeft genomen om de monumentenzorg te ontwikkelen en te professionaliseren. Hij was vijf jaar voorzitter en later ere-voorzitter van Monumentenwacht Nederland. Walter Kramer overleed in 2010.

 

Yde Schakel bleef de gedreven, avontuurlijke ondernemer die hij na vier klassen lagere school en een met enige souplesse verleend diploma van de ambachtsschool was geworden. Met een opmerkelijke mix van Friese nuchterheid en fantasie, zakelijkheid en romantiek, bevlogenheid en boerenslimheid bouwde hij zijn eenpersoonstimmermanszaak uit tot een restauratiebedrijf van 250 werknemers. Met zijn dadendrang en temperament, visionaire vergezichten en ongezouten meningen dwong hij bij velen respect af. En joeg hij eveneens velen tegen zich in het harnas.

 

Een vat vol tegenstrijdigheden? Ja en nee

 

Ja, omdat verstand en gevoel regelmatig botsen. Het verstand wil nadenken, overpeinzen, filosoferen, afwegen. Oplossingen zoeken, orde op zaken stellen, het opdrachtgevers en medemensen naar de zin maken. Maar ongeduld en een flamboyant karakter doorkruisen regelmatig die opzet. Schakel ontwikkelt zich tot een bedreven netwerker, maar is opvliegend genoeg om, tijdens zijn eigen verjaarsfeestje, een nieuwbakken museumdirecteur die alles anders wil een kop koffie in het gezicht te smijten. Hij is in vele opzichten ruimdenkend, maar onverdraagzaam genoeg om met een jachtgeweer de plaatselijke drugsdealer het dorp uit te jagen. Hij is overtuigd religieus, maar deinst er niet voor terug de dominee een paar blauwe ogen te slaan (de oude notaris zou later overigens zeggen dat hij ze verdiend had). En dat is maar een hele kleine greep uit een enorme reeks ongerijmde gebeurtenissen. Never a dull moment met Yde Schakel.

 

Nee, omdat er toch ook een lijn zit in zijn doen en laten, ook al is die eerder kronkelig dan strak. Je ziet hem ook niet direct na één ontmoeting. Maar als je vervolgens zijn autobiografie leest, blijken bepaalde, vaak ook tegengestelde uitgangspunten, overtuigingen en sentimenten steeds terug te komen. Liefde voor zijn familie en zijn geboortestreek, Friese trots, werklust, ondernemerschap, leergierigheid, eigenzinnigheid, levenslust, humor, fantasie, creativiteit, vasthoudendheid, hang naar tradities, plichtsbesef, religieuze gevoelens, dankbaarheid, charme en een grote bereidheid om bewust of onbewust met iedereen de confrontatie aan te gaan. Schakel beschijft het allemaal op authentieke wijze in zijn boek ‘Hoge Vlucht tot achter de horizon’. De eerste uitgave verscheen in 2002. In 2008 is een licht aangepaste versie uitgebracht met een aanvulling over de sindsdien verstreken jaren. Of alles wat erin staat waar is, of laten we zeggen: of ieder ander het ook zo heeft ervaren, staat te bezien. Maar dat neemt niet weg dat het verhaal leest als een trein en dat het een prachtig tijdsbeeld schetst van driekwart eeuw Friese geschiedenis, erfgoedcultuur, politiek en zakenleven. Het boek is verkrijgbaar bij museumdorp Allingawier en kan worden besteld bij PENN Uitgeverij te Leeuwarden (zie www.uitgeverijpenn.nl).

 

En dan is nu (eindelijk) het woord aan Yde Schakel

 

“Goed dat er iets wordt opgeschreven over die beginjaren van Monumentenwacht. Het is een van de vele ideeën die ik in mijn leven heb verzonnen. Ik ben een echte denker. Ik heb veel bedacht, maar ook veel niet begrepen. En mijn ideeën werden ook vaak niet begrepen. Ik heb plannen ontwikkeld voor dorpsvernieuwing toen dat woord nog niet bestond. Ik wilde voorkomen dat het Friese platteland waar ik geboren ben, in verval zou raken. Dat de mensen zouden verarmen en de dorpen zouden ontvolken. Ik had grootse plannen voor de economie, in het bijzonder voor het toerisme. Want net als koeien kan je ook toeristen melken. En ik wilde ook de landschappelijke kwaliteit verhogen. Daarvoor zouden verschillende slechte landbouwgronden veranderen in meren. Aanvankelijk werden mijn plannen enthousiast ontvangen. Maar toen de boeren in verzet kwamen, keerden de bestuurders op hun schreden terug. Zo is het vaker gegaan. Ik denk dat uiteindelijk niet meer dan twee van de tien ideeën die ik had, gerealiseerd zijn.

 

Begonnen als dorpstimmerman

 

Ik kom uit een zeer eenvoudig gezin. We waren met elf kinderen, ik was de negende. Mijn vader was koemelker. Hij had een stuk of tien koeien, maar geen eigen land. Hij voerde gras uit de wegbermen. Het was een arm bestaan. Altijd vroeg opstaan, de hele dag hard werken en weinig te verteren hebben. Als ik mensen hoor zeggen dat we nu in een crisis zitten, moet ik daar erg om lachen. Op de lagere school kon ik niet goed meekomen. Ik had moeite met schrijven en rekenen. En vooral ook om me te concentreren. Ik had een rijke fantasie en zat vaak te dagdromen. Vooral over het verleden. Als we geschiedenis kregen, zag ik alles voor me. Ik kon me precies voorstellen hoe in de Middeleeuwen de eerste monniken op het Friese platteland hun veldovens stookten en met de gebakken stenen de vroegste kerken bouwden. Die belangstelling voor oude bouwtechnieken en traditionele bouwmaterialen zat er al vroeg in. Na vier klassen lagere school was het mooi geweest. Het was crisistijd en de oorlogsdreiging nam toe. We hadden hard geld nodig. Ik hielp mijn vader en werkte voor boeren in de omgeving. Tijdens de oorlog ben ik naar de ambachtsschool gegaan, want ik moest toch iets worden. Ook daar viel het leren niet mee. Maar ik heb er wel mijn best voor gedaan. Dankzij een leraar die iets in mij zag en bereid was wat door de vingers te zien, heb ik uiteindelijk mijn diploma gehaald. Daarna ben ik anderhalf jaar in de leer geweest bij een wagenmaker en later bij verschillende timmerlieden. Daar maakte ik meubels, maar we gingen ook regelmatig allerlei herstelwerk uitvoeren op boerderijen. In 1953 haalde ik, ook weer met veel inspanning en het nodige geluk, mijn middenstandsdiploma. In 1955 heb ik de zaak van mijn toenmalige baas Fetze Dijkstra in Exmorra overgenomen.

 

Restauratie als specialisme

 

Daarna is het hard gegaan. Ik nam een knecht aan en daarna nog een en toen een aantal vaklieden en daarna nog meer specialisten, tot we rond 1970 een zaak van zo’n 250 mensen hadden. Daarmee waren we een van de grootste aannemers in de wijde omgeving. En we waren ons geleidelijk aan volledig gaan toeleggen op het restauratiewerk. Bij de meeste collega’s was dat maar een bijkomend verschijnsel, maar wij maakten er onze specialiteit van. Als er wat gesloopt moest worden, bewaarden wij alle historische bouwmaterialen die van waarde waren. Later werden die vaak weer gebruikt als we soortgelijke gebouwen moesten opknappen. Het is ook wel gebeurd dat we ons eigen herstelwerk na een aantal jaren opnieuw herstelden. De inzichten over hoe je moest restaureren veranderden soms, zowel bij onszelf als bij de opdrachtgever. Vaak was dat de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. In het begin heb ik oude ramen met kruisroeden in opdracht van de boeren vervangen door nieuwe kozijnen met grote glasoppervlakken. Als een boerderij later op een monumentenlijst kwam, moesten er weer traditionele vensters in. Zo bleef je wel aan het werk natuurlijk. Vaak had ik uitgebreide gesprekken met architecten en andere professionals in de monumentenzorg. Daar heb ik enorm veel van geleerd. Ik had dan wel geen bijzondere opleiding, maar ik had wel een enorme honger naar kennis. Vooral op het gebied van restaureren. Mensen als Wierd Berghuis, bouwkundig archeoloog uit Groningen, en Peter van Dun, rayonarchitect bij de Rijksdienst, die gestudeerd hadden, konden hun kennis zo in mij overgieten. Ik was helemaal vol van oude gebouwen. En trouwens ook van oude gebruiksvoorwerpen, werktuigen en vervoermiddelen. Ik droomde van monumenten en ik vocht ervoor. Geleidelijk aan werd ik eigenlijk meer architect dan aannemer. Ik volgde de ontwikkelingen op de voet. Een van de destijds nieuwe inzichten was dat je de geschiedenis van een gebouw mocht laten zien. Terugrestaureren naar een bepaald, meestal vroeg tijdstip werd taboe. Sporen van veranderingen door de eeuwen heen maken een gebouw interessanter, was het nieuwe credo. Ik kon me daar wel in vinden. En het had ook het praktische voordeel dat restauraties vaak goedkoper uitvoerbaar werden. Daardoor hebben we meer monumentale gebouwen van de ondergang kunnen redden.

 

Een ‘soort van monumentenwacht’

 

Begin jaren zeventig kwam er bij de Rijksdienst een nieuwe rayonarchitect voor de regio Friesland en Groningen. Dat was Walter Kramer. Ik kon direct goed opschieten met hem. We zaten regelmatig in de bouwkeet samen te filosoferen. Over hoe het werk verliep, over wat er beter zou kunnen, over de onderhoudsproblemen die vroeg of laat steeds weer de kop opstaken. Ons bedrijf liep op dat moment uitstekend, maar we hadden toch wel een probleem. Namelijk dat we het de hele zomer verschrikkelijk druk hadden, maar dat we in de wintermaanden eigenlijk te weinig om handen hadden. Dat was al zo toen ik nog maar met een paar mensen werkte, maar met een groot bedrijf is het probleem nog veel ernstiger. Daarom had ik al eens lopen denken dat we in die winterperiode eigenlijk alle historische gebouwen langs moesten gaan om de schades op te nemen en eventueel een noodreparatie uit te voeren. We zouden dan ook vast een plan voor het komende seizoen kunnen maken, als de eigenaar dat wilde. Tijdens een van onze overleggen heb ik dat idee aan Walter voorgelegd. ‘Een soort van monumentenwacht’, zei ik erbij. Hij was gelijk enthousiast. Want hij had zelf geconstateerd dat er bij veel gerestaureerde kerken in Brabant, Friesland en Groningen al na een paar jaar weer gebreken optraden. Daarom liep hij erover te denken om onderhoudscontracten te gaan afsluiten met aannemers. Mijn persoonlijke idee was om de controles als een pakket van werkzaamheden aan te bieden aan de Rijksdienst. En daarmee een mooie klus voor de winter binnen te halen. Maar Walter vond het beter om er een stichting voor op te richten. Voor mij had dat niet per se gehoeven, maar aangezien de Rijksdienst op dat moment mijn broodheer was, heb ik ermee ingestemd. Achteraf is ook gebleken dat het een juiste keus was. We zijn toen samen naar notaris Hansma in Makkum geweest. We hebben ieder uit eigen zak 100 gulden betaald en toen was er een stichting. Daarna hebben we aan allerlei mensen voor wie dat interessant kon zijn, een kopie van de akte gestuurd. Met de mededeling dat ze voortaan voor een regelmatige inspectie bij de Monumentenwacht terecht konden. Iedereen was gelijk laaiend enthousiast. Een maand later hebben we de oprichting officieel gevierd in Sint Nicolaasga. Daar heeft Monumentenwacht symbolisch de eerste inspectie uitgevoerd aan het huis van jonkheer Van Eysinga. De plannen waren toen al zo ver dat er, naast de landelijke Monumentenwacht, ook in elke provincie een Monumentenwacht zou worden opgericht. In Friesland en Groningen waren die er inmiddels al. Op de bijeenkomst waren allerhande belangrijke mensen uit de erfgoedwereld en de politiek en het bedrijfsleven aanwezig. Onder anderen de toenmalige staatssecretaris en latere Commissaris der Koningin Henk Vonhoff.

 

Groot offer

 

Voor de werkzaamheden hadden we een paar geschikte mensen nodig, die van veel zaken verstand hadden en het dak op durfden. En verder een busje en diverse gereedschappen en hulpmiddelen. In totaal was er een eerste investering van 160.000 gulden vereist. Ik had gedacht dat de Rijksdienst die wel voor haar rekening zou nemen, maar dat gebeurde niet. Ze haddden geen geld. Toen heb ik het gedaan, maar dat viel niet mee. Ten eerste raakte ik een paar van de beste vaklui kwijt die ik had. In de aanloopperiode had ik Douwe Kornelis ingezet en Rinus Maurix, een zelfstandige leidekker. Als eerste officiële monumentenwachters heb ik Douwe van der Zee en Sjoerd van der Wijk moeten afstaan. Dat waren een paar puike vakmensen. Ten tweede stond het water mij financieel gezien op dat moment niet aan de lippen, maar feitelijk al boven het hoofd. Toch heb ik dit grote offer met een heel goed gevoel gebracht. Korte tijd later heb ik alles keurig teruggekregen. En vele jaren later heb ik, onder andere voor dit initiatief, een koninklijke onderscheiding mogen ontvangen. Maar op het moment zelf was het op het randje. Dat veroorzaakte ook de nodige spanning op de zaak en in het gezin. Van wie het idee van een Monumentenwacht afkomstig was? Er zijn een heleboel mensen die het geclaimd hebben, maar ik weet dat het van mij kwam. Ik geloof die anderen niet, maar áls het zo is dat zij het ook bedacht hebben, dan hebben ze het in elk geval niet ten uitvoer gebracht. Walter en ik hebben dat wel gedaan. En dat was een hele goede keus.

 

Aldfaers Erf

 

Walter heeft zich in de jaren daarna enorm ingezet om het concept van de Monumentenwacht te promoten en de organisatie op poten te zetten. Ik heb die ontwikkeling nog enkele jaren gevolgd, maar op afstand. Ik was alweer druk met allerhande nieuwe projecten. Eén daarvan was Aldfaers Erf (Fries voor ‘de erfenis van de voorouders’). Dat is begonnen met de aankoop van een oud pand in Exmorra. Bij sloopwerkzaamheden ontdekte ik bij toeval dat hierin vroeger een dorpsschooltje gevestigd was. We hebben dat toen in zijn oude luister hersteld en opengesteld als museumpje. Dat sloeg aan en daarna zijn diverse andere historische gebouwen aangekocht en uiteindelijk bijna de hele oude kern van Allingawier. Dat is een museumdorp geworden, dat samen met de andere locaties een Erfgoedroute vormt. Aldfaers Erf was in de jaren tachtig en negentig een enorme toeristische attractie. We hebben seizoenen met 140.000 bezoekers gehad. Later is er veel concurrentie gekomen. Niet alleen van het Jopie Huismanmuseum, maar ook van het varkensmuseum, het kattenmuseum en ik weet niet wat allemaal nog meer. Daardoor werd het steeds moeilijker om de exploitatie rond te krijgen. De kranten hebben regelmatig volgestaan over de problemen met de financiën, subsidies, bestuurders en directeur. Vaak werd Yde Schakel genoemd als de veroorzaker van alle ellende. Maar vaak is die bewering na enige tijd ook weer herroepen.

 

Monumentenwacht nu

 

Met Walter Kramer heb ik nog een jaar of twintig zo af en toe contact gehad. We zijn het een tijdlang over verschillende zaken stevig oneens geweest, maar dat is later bijgelegd. Met Monumentenwacht had ik ook regelmatig te maken. Ik heb altijd veel waardering gehad voor het vakmanschap en de motivatie waarmee de monumentenwachters hun werk uitvoeren. Ik vind alleen wel dat de monumentenwachten bij hun taak moeten blijven. Ze moeten zich beperken tot het inspecteren, het vervangen van de gebroken dakpan en het herstellen van de lekkende goot, het rapporteren over de onderhoudstoestand en het opstellen van een eerste advies over de maatregelen die het hardste nodig zijn. Ze moeten niet allerlei aanvullende activiteiten gaan ondernemen. De architect en de aannemer moeten ook bestaan. Verder is het belangrijk dat Monumentenwacht een praktische, uitvoerende organisatie blijft. Het moet geen apparaat worden. Monumentenwacht moet bestuurd worden, maar geen bestuur worden. Want besturen gaan niet het dak op om goten te repareren.

 

Niets makkelijker dan restaureren

 

Met ons bedrijf ging het ondertussen nog steeds uitstekend. Ik wist dat ik zelf niet alles wist, maar het lukte mij wel om telkens de juiste vakmensen binnen te halen. Daardoor konden wij een goede naam opbouwen als gespecialiseerd restauratiebedrijf. Over het restaureren wordt soms erg ingewikkeld en gewichtig gedaan. Ik heb dat nooit begrepen. Ik heb meer dan eens gezegd: niets is zo makkelijk als restaureren. En dat meen ik ook. Ik vergelijk monumenten met bladmuziek. Met een bladzijde met balken met noten. Als ergens een stukje van een balk of een nootje ontbreekt, moet je dat er weer aanzetten op de manier die de componist bedoeld heeft. Niet meer en niet minder. Soms moet je even uitpuzzelen hoe dat moet. Maar dat is het. Er zijn ook architecten die er zelf nootjes bijschrijven, maar dan wordt het liedje vals. Als ik daar dan wat van zei, werden zij ook vals. Maar ik kon toch mijn mond niet houden. Toen ik al vele monumenten had gerestaureerd, waaronder diverse stinses en states, en bovendien een flinke voorraad oude bouwmaterialen had aangelegd, dacht ik: weet je wat, ik bouw er zelf een. Kort tevoren had ik vlakbij de kern van Allingawier een vervallen boerderij gekocht. Met hulp en adviezen van vrienden en bekenden heb ik mijn ideeën uitgewerkt en ben ik begonnen met de bouw van Allingastate. Het is een eigen ontwerp dat is gebaseerd op de Friese traditie. We hebben er materialen en onderdelen uit allerlei andere gebouwen in verwerkt. Natuurlijk kwam er kritiek op, maar veel mensen vonden het mooi en ik heb er een tijdlang met veel plezier gewoond. Inmiddels was ik de vijftig gepasseerd en had ik meer dan dertig intensieve en bewogen jaren achter de rug. Zowel op zakelijk gebied als in de privésfeer waren de spanningen soms hoogopgelopen en was er van alles gebeurd. Ik bedacht me steeds vaker dat ik het rustiger aan moest gaan doen, ook omdat ik dat voelde aan mijn gezondheid. Ik had er al eens met iemand in vertrouwen over gesproken om de zaak te verkopen, toen er belangstelling kwam vanuit de Hollandse Beton Groep (HBG). We zijn het vrij snel eens geworden over de prijs en een aantal voorwaarden. Met als resultaat dat ik de zaak in 1976 aan HBG heb verkocht. Ik kreeg er 1,2 miljoen gulden voor en ik zou vier jaar bezoldigd adviseur blijven. Voor mij waren dat goede condities, maar ik zat er wel mee dat de vooruitzichten voor een deel van het personeel niet zo gunstig waren. De concurrentie was toegenomen, de zaak maakte voortaan deel uit van een groter concern en het was maar de vraag of het werk op den duur wel in Friesland zou blijven. Inderdaad heb ik korte tijd later een aantal goede vaklieden moeten ontslaan, wat mij zeer zwaar is gevallen. Ik heb later vaak gedacht dat ik de zaak toch niet had moeten verkopen. Maar aan de andere kant wist ik ook dat ik het niet zou volhouden op de oude manier. Ik vergelijk het vaak met een trein. Ons bedrijf bestond uit een ouwe stoomlocomotief met een gekke machinist en een stel versleten wagons die maar voor een deel zitbanken hadden. Deze trein zat echter goed vol en de passagiers hadden schik. De HBG-trein was een moderne, luxe personentrein waarin je uitstekend kon zitten. Maar de machinist zag je niet, het was er niet gezellig en bij elk station stapten er alleen maar mensen uit. Als ik dat vooraf geweten had, had ik nog veel harder over mijn besluit moeten nadenken.

 

Geen alibi’s

 

Maar gedane zaken nemen geen keer. Als je een beslissing neemt, moet je de consequenties aanvaarden. Geen alibi’s om er onderuit te komen. Dat geldt voor zaken en voor relaties. Ik heb mijn eerste vrouw, bij wie ik vijf kinderen heb, verlaten voor een ander. Dat is niet fraai. Dat heb ik ook steeds toegegeven. Ik heb geprobeerd uit te leggen waarom ik niet anders kon. Sommige mensen begrijpen het, anderen blijven mij een smeerlap vinden. Dat is hun goed recht. Met mijn tweede vrouw ben ik 25 jaar getrouwd geweest, maar op een dag is ze bij mij weggegaan. De fundering was toch niet sterk genoeg. Ik heb het daar heel zwaar mee gehad, maar ik heb het moeten accepteren. Heel kort daarna kwam er een derde vrouw die met mij verder wilde en met wie ik nog steeds gelukkig ben. Ik ben en blijf een Fries. Wat-ie zegt, doet-ie. Ik heb daarmee misschien wel net zo veel vijanden als vrienden gemaakt. Van sommige dingen heb ik spijt. Die had ik anders moeten doen. Met veel mensen heb ik dingen ook uitgepraat. Vrienden hebben mij vaak geholpen en geadviseerd en hun best gedaan om plooien weer glad te trekken. Daar ben ik ze dankbaar voor. Ik ben nog lange tijd betrokken geweest bij Aldfaers Erf en andere initiatieven. Ik heb ook nog lang bedrijven geadviseerd. De laatste jaren probeer ik zo veel mogelijk los te laten. Langzaam maar zeker lukt dat beter. Ik houd me nu nog bezig met het verzamelen en een beetje verhandelen van schilderkunst. Daar beleef ik veel plezier aan.”

 

________________________________________

 

 

In een van de laatste paragrafen van zijn boek ‘Hoge Vlucht tot achter de horizon’ geeft Yde Schakel in een bijzondere vorm een korte visie op zijn leven. Onder het kopje ‘Op het kerkhof’ valt het volgende te lezen:

 

Op een nacht kon ik niet slapen. Het was die dag warm weer geweest. Toen dacht ik: ik ga er maar even af. Ben toen naar buiten gelopen en dacht: hé, er konden wel mensen zijn op het kerkhof. Het was half twee in de nacht. [...] Ben toen het kerkhof opgegaan en stilletjes tegen de kerk gaan zitten. En ja hoor, de stemmen zijn afkomstig van de mensen die hier begraven liggen. Denk hoe is ’t mogelijk. De een vertelt van het draaiend rad in Gaasterland. Een ander dat ze na het melken naar Oranjewoud zijn geweest in het doolhof en de kettingbrug. Een oude arbeider die dit aanhoort, weet er nog alles van. ‘Je was veel te laat thuis voor het melken en je rook naar drank’, zegt hij. Verderop ligt een boer, die vertelt dat ze naar Valkenburg zijn geweest met het spoor en daar echte bergen hadden gezien. Deze boer was ook diaken in de kerk geweest. Dan begint een weduwvrouw met zeven kinderen te praten. ‘Jij met je verhalen, je moet je stilhouden en je schamen. Ben een keer bij je geweest om turven voor de winter. Jij zei toen nog dat ik daar niet voor in aanmerking kwam. Ten eerste kwam ik niet vaak genoeg in de kerk en verder mijn kleding was te mooi. Heb een jas gekregen van de schoolmeester zijn vrouw. Ik waste maandags altijd bij haar en zij had een nieuwe gekocht. Wat hebben wij die winter een kou geleden. ’s Avonds gingen we vroeg naar bed om zo toch enigszins warm te worden en jij maar praten over Valkenburg.’ Toen werd het stil, tot er iemand begon over Yde Schakel, die ging toch maar mooi op reis, het kon niet op. Dat kon toch nooit goed komen. Toen sprak er iemand die nog niet zo lang overleden was: ‘zal ik jullie het laatste nieuws eens vertellen? Hij woont nu hiernaast, en men zegt hij heeft niks meer.’ Nou, dit hadden ze allemaal wel zien aankomen. Ik dacht, ze moesten eens weten dat ik hier zit. Een oude man die zijn hele leven hard gewerkt had bij de boeren, sprak: ‘luister eens, wij hebben hier toch ook niks. Hadden jullie maar geleefd als Yde Schakel.’ En zo werd het weer stil. Ben toen maar weer op bed gegaan en dacht: vreemd, vreemd.

 

Terug